zitting

vrouwelijk (de)/zɪtɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het gevoerde deel van een stoel waarop men zit
    Deze zitting moet opnieuw gestoffeerd worden.
  2. de tijd dat een raad of ander lichaam werkzaam bijeen is
    De koningin opende de zitting van het parlement.
  3. de duur van het als model poseren voor een kunstenaar of een fotograaf
    Dit portret is in vier zittingen geschilderd.
  4. ~ nemen in ergens toe toetreden
  5. Een afdichtvlak in een klep of kraan, klepzitting

Etymologie

* van zitten .

Vertalingen

Engelssession
Fransséance, séance
Spaansasiento, junta, sesión