zittend

/ˈzɪtənt/

Betekenis

werkwoord
  1. op het achterste rustend met het bovenlichaam rechtop
    Omdat het toen nog steeds te krap was, moest één jongen zittend in de hoek gaan slapen.
  2. met weinig lichaamsbeweging
  3. in functie zijnd

Etymologie

*zitten met de uitgang d