wetenschapper

mannelijk (de)/ˈwetə(n)ˌsxɑpər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, wetenschap (beroep), (wetenschap) iemand die de wetenschap beoefent
    Er is in dat gebouw een conferentie van wetenschappers.
    Het ritme van het lopen met soms wel 70.000 stappen per dag vormde een innerlijke kadans, waarvan sommige wetenschappers beweren dat er op deze manier een inventieve samenwerking ontstaat tussen de twee helften van je brein.
    Minister Kuipers van Volksgezondheid roept de sectoren in de samenleving op zich voor te bereiden op een nieuwe golf coronabesmettingen in het najaar. "Maak je eigen plan", zegt hij in een gesprek met NOS. Hij reageert daarmee op de kritiek die ziekenhuisdirecteuren, virologen en wetenschappers vanmorgen uitten.

Etymologie

*Afgeleid van wetenschap

Vertalingen

Engelsscientist, scholar
Fransscientifique
DuitsWissenschaftler
Spaanscientífico
Poolsnaukowiec
Zweedsvetenskapsman