weten

/ˈwetə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ergens kennis van hebben
    Hoe kun je dat nou weten als die stof nog nooit behandeld is?
    Want het was goed hier, om niet te zeggen perfect, en ik zag geen reden waarom ik hier niet net zo lang zou kunnen blijven tot ik wist waar ik naartoe moest gaan.
  2. ~ te: erin slagen
    Hij wist zijn vader zover te krijgen hem dat geld te geven.
  3. te weten te komen: iets ontdekken
    De spion probeerde te weten te komen waar de atoomwapens lagen.
  4. beseffen
    Als je dat maar weet!
    Er is immers geen sprake van verlies, echtscheiding of overlijden en verder weten we allebei dat we elkaar na een x aantal maanden weer zullen zien.
  5. laat weten: zeggen wat men vindt van iets

Etymologie

:Slavisch:: widzieć, : видеть, : vědět

Uitdrukkingen

  • geen weg weten met
  • Joost mag het weten
  • Weten hoe de vork in de steel zitprecies weten wat er gebeurd is
  • Weten waar Abraham de mosterd haaltZeer diepgaande kennis van een zaak hebben
  • Weten waar de schoen wringtde oorzaak van de problemen weten
  • Weten wat voor vlees je in de kuip hebt
  • Aan iets een mouw weten te passeneen oplossing ergens voor weten
  • Heg noch steg wetenergens de omgeving totaal niet kennen

Vertalingen

Engelsknow
Franssavoir
Duitswissen
Spaanssaber
Italiaanssapere
Russischзнать
Japans知る
Poolswiedzieć
Zweedsveta