welvoeglijkheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het handelen dat overeenkomt met de goede zeden
    En toch waren de mannen over de omzichtigheid en de vrouwen over de welvoeglijkheid gestapt, voortgedreven door de onweerstaanbare prikkel van de nieuwsgierigheid die alles had overwonnen.

Etymologie

* afleiding van welvoeglijk