betamelijkheid

vrouwelijk (de)/bə'tamələkhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iets overeenkomt met de goede zeden
    Willem AugustijnLeeuwarden, 3 juli 1748 Liefste lief, nee, ik handelde niet om de conventionaliteit te dienen, die verafschuw ik evenzeer als u dat doet, het was slechts om uwentwille: u moet weten dat zelfs Abe van onze omgang op de hoogte bleek, en wanneer wij die op dezelfde voet doorzetten zal aanstonds de grens van de betamelijkheid overschreden zijn.
    De tuchtrechter velt een hard oordeel over Enait. Naar aanleiding van een klacht van een cliënt zegt de tuchtrechter dat de advocaat "de grenzen van de betamelijkheid die een behoorlijk advocaat in acht dient te nemen verre heeft overschreden". Ook heeft hij de essentiële waarden van de advocatuur veronachtzaamd.
  2. iets dat overeenkomt met de goede zeden

Etymologie

* afleiding van betamelijk