wanordelijkheid

vrouwelijk (de)/wɑnˈɔrdələkˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verstoring van de openbare orde
    Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. (Grondwet Artikel 6)
  2. gebrek aan discipline
    Met de lichtvaardige broeder werd de omgang alras verbroken wegens de wanordelijkheid, meer wegens de blaam door Servatius op de naam geworpen met zijn zwieren en rinkelrooien, streken en schulden, waarin zelfs de hand van de schout gemoeid werd.
  3. ontbreken van regelmaat
    Verderop knarsten cementmolens. Metselaars brachten met hun troffels tinkelende interpuncties aan in het onophoudelijke geraas, waarvan de wanordelijkheid ons aan een reusachtige afwas deed denken.

Etymologie

*afgeleid van wanordelijk