chaos

mannelijk (de)/ˈxaɔs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. grote wanorde, ongeordendheid, verwarring
    De stroomstoring zorgde voor chaos.
    Je kon niet in de stad wonen zonder het verschil te zien tussen straten waar rust heerste en die waar chaos heerste, een schurftige hond die door de goten zwierf, kinderen in lompen, een keurige haag, vitrage die even bewoog.
    Waarschijnlijk is het mijn vader niet gelukt om het bij Peggy Guggenheim te krijgen en heeft mijn moeder het in de chaos van hun vertrek uit Spanje meegenomen naar Engeland.
  2. wiskunde (wiskunde) praktisch onvoorspelbaarheid van uitkomsten die in sommige ingewikkelde stelsels van vaste rekenregels ontstaat door minieme verschillen in beginwaarden
    Chaos is het effect van exponentieel toenemende onzekerheid.

Etymologie

*van het χάος

Vertalingen

Engelschaos
Franschaos
DuitsChaos, Unordnung
Spaanscaos
Italiaanscaos
Portugeescaos
Russischхаос
Chinees纷乱
Japansごたごた
Poolschaos
Zweedskaos