wandelstok
mannelijk (de)/ˈwɑndəlˌstɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- stok die dient als steun bij het wandelen en beschermt tegen vallenDe oude man leunt zwaar op zijn wandelstok.Thuis had ik een systeem in elkaar geknutseld met klittenband die de paraplu aan mijn rugzak bevestigde, waardoor ik mijn handen vrijhield voor mijn wandelstokken.
Vertalingen
Engelswalking-stick, walking cane
Franscanne
DuitsSpazierstock
Spaansbastón para caminar
Italiaansbastone da passeggio
Portugeesandas, perna-de-pau
Turksbaston
Zweedsspatserkäpp
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek