wand

mannelijk (de)/ʋɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een verticale afscheiding tussen twee vertrekken in een woonlaag van een gebouw
    Je kunt deze wand beter een lichtere kleur geven.
    Maar ik ben ook boer geweest, gemeenteraadslid, schrijver enm' Nu loopt hij naar een wand waar een gordijn voor hangt. Met een groots armgebaar gooit hij het gordijn opzij.
    Op school lieten ze ons films zien over het leven in Engeland - schokkerige bolhoeden en bussen op de witgekalkte wand - terwijl we buiten alleen maar kikkers hoorden kwaken.
  2. meer algemeen: verticaal oprijzend vlak (-> bergwand)
  3. nog algemener: omsluiting (-> celwand)

Etymologie

*Van oorsprong een van winden.

Vertalingen

Engelswall
Franscloison, paroi
DuitsWand
Spaanspared, tabique
Deensvæg