wandelpas

mannelijk (de)/ˈwɑndəlˌpɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een manier van lopen waarbij men behoorlijk, maar ongehaast, doorloopt
    Ik dacht dat ze nog vlakbij waren, maar ze hadden de wandelpas ingezet.
  2. één stap gezet op een bovengenoemde manier