wandeling

vrouwelijk (de)/ˈwɑndəˌlɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
    Een jonge poolvos heeft Noorse onderzoekers versteld doen staan met een zeer lange én snelle wandeling. Het dier liep - over land, gletsjers en zee-ijs - van Noorwegen naar Canada en legde de in totaal 3.506 kilometer af in 76 dagen. ,,We konden onze ogen niet geloven.” Tubantia Kees Graafland 02-07-19 [https://www.tubantia.nl/wetenschap/poolvos-doet-het-onmogelijke-loopt-in-recordtijd-van-noorwegen-naar-canada~a139aa4d/ Poolvos doet het onmogelijke: loopt in recordtijd van Noorwegen naar Canada]
    Olives Londen zag er heel anders uit - een eenzame wandeling door St. James's en dan via de Mall naar de National Portrait Gallery, waar haar lievelingsschilderij van Holbein hing; daarna een broodje bij Lyon's in Craven Street, of wat door de Embankment Gardens slenteren.
    Gelukkig had mijn vrouw daar geen probleem mee omdat ze zelf kort ervoor een lange wandeling naar Santiago de Compostela had gemaakt.
  2. verouderd (verouderd), (regionaal) conversatie, gesprek (alleen nog in de uitdrukking in de wandeling[https://www.dbnl.org/tekst/_tij003192701_01/_tij003192701_01_0021.php De twee beteekenissen van kuieren], J. van Ginneken, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 46 (1927), p. 188)

Etymologie

* van wandelen .

Vertalingen

Engelsstroll, walk
DuitsWanderung
Spaanspaseo
Deensgåtur