wandelen

/ˈwɑndələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) gericht een wandeling maken
    Ik ben gisteren naar de Griete gewandeld.
    De moeder van 11 kinderen had pas op latere leeftijd het wandelen ontdekt.
  2. inerg (inerg) ongericht een wandeling maken
    Mijn vader heeft altijd veel gewandeld.
    Je ziet natuurlijk wel het verschil tussen een amateur en prof, dat is logisch, maar toch. Ik moet morgen en overmorgen gebruiken om tijdens het wandelen alles in te laten dalen, en mijn geest en lichaam langzaam te transformeren tot Irene.

Etymologie

*: wander

Vertalingen

Engelswalk, go for a walk, stroll
Fransse promener
Duitswandern
Spaanspasear, caminar
Poolsspacerować