wandelen
/ˈwɑndələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) gericht een wandeling makenIk ben gisteren naar de Griete gewandeld.De moeder van 11 kinderen had pas op latere leeftijd het wandelen ontdekt.
- (inerg) ongericht een wandeling makenMijn vader heeft altijd veel gewandeld.Je ziet natuurlijk wel het verschil tussen een amateur en prof, dat is logisch, maar toch. Ik moet morgen en overmorgen gebruiken om tijdens het wandelen alles in te laten dalen, en mijn geest en lichaam langzaam te transformeren tot Irene.
Etymologie
*: wander
Vertalingen
Engelswalk, go for a walk, stroll
Fransse promener
Duitswandern
Spaanspasear, caminar
Poolsspacerować
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek