wandelaar

mannelijk (de)/ˈwɑndəˌlar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die buitenshuis een stuk loopt
    Vanwege het mooie weer waren er op de dijk een heel aantal wandelaars.
    Hij was, net als Scout & Frodo, een zogenaamde Trail Angel: iemand die de Pacific Crest Trail (PCT)-gemeenschap een warm hart toedraagt en de wandelaars vrijwillig een lift geeft, een bed biedt en advies en water geeft.

Etymologie

* van wandelen

Vertalingen

Engelshiker, walker, stroller
Franspromeneur
Portugeespasseador