waard
mannelijk (de)/wart/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (horeca) baas van een herberg, taveerne of café
zelfstandig naamwoord
- (aardrijkskunde) vlak land in een rivierengebied
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) mannelijke eend
Etymologie
*[D] (erfwoord) via Middelnederlands "wert" van Oudnederlands "werth", in de betekenis van ‘de genoemde prijs hebbend’ aangetroffen vanaf 1100
Uitdrukkingen
- Buiten de waard rekenen — Niet gerekend hebben op hoe anderen er werkelijk over denken
- Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. — Een mens denkt net zo over een ander als die over zichzelf denkt, dus iemand die zelf oneerlijk is denkt dat anderen ook oneerlijk zijn
- De eerste klap is een daalder waard. — wie het eerste begint heeft de meeste kans op overwinning
- De ene dienst is de andere waard. — wanneer iemand helpt, doet men graag iets terug
- Een goed hart is goud waard. — je treft niet snel meer mensen met een goed karakter
- eigen haard is goud waard
- Geen knip voor de neus waard zijn — zijn vak niet kennen en er geen verstand van hebben
- Het sop is de kool niet waard. — een onderwerp is te onbelangrijk om er aandacht aan te geven
Vertalingen
Engelsinnkeeper, worth, dear
Fransaubergiste
DuitsWirt
Spaansmesonero, caro, querido
Italiaansoste
Portugeestaberneiro
Zweedsvärd
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek