kastelein
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geschiedenis) de plaatsvervanger van de kasteelheer in het beheer van het kasteelCoenraad Cuser, in 1400 kastelein van Teylingen en raad van hertog Albrecht, wordt nog voor het laatst vermeld in 1405.
- (geschiedenis) een belangrijke ambtenaar die in dienst stond van de landheer en optrad in de rechtspraak en bestuur
- (verouderd) (beroep) een kroeg- of herberguitbaterDe kastelein goot mijn glas opnieuw vol.
Etymologie
*Afkomstig van het Latijnse castellanus (kasteelheer, slot- of burchtvoogd, burggraaf).
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek