vrijheidsrecht

onzijdig (het)/ˈvrɛihɛitsˌrɛxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) elk van de grondrechten die beschermen tegen de macht van de overheid
  2. juridisch, geschiedenis (juridisch) (geschiedenis) privilege waarbij een landsheer de inwoners van een bepaalde plaats toestaat eigen regels zelf te handhaven
    Wanneer een dorp in die tijd vrijheidsrechten kreeg, werd daarmee de kiem gelegd voor wat men later een stad ging noemen. Zo zijn, om enkele duidelijke voorbeelden te geven, de Brabantse hoofdsteden Leuven, Brussel, Antwerpen en Den Bosch als kleine Vrijheden begonnen, qua grondgebied beslist niet groter dan de Vrijheid Rode.

Etymologie

**[2] "vrijheid" opgevat als een gebied dat (deels) vrijgemaakt was van algemene regels en handhaving in het gebied van een landsheer