vrij

mannelijk (de)/vrɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrijloop
    Piet, gooi hem even in de vrij
  2. afkorting, tijdrekening, dag (afkorting), (tijdrekening), (dag) vrijdag, de vijfde dag van de werkweek
    Open: di, woe, do, vrij; dicht: zat, zo, ma.|Geopend op dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag; gesloten op zaterdag, zondag en maandag.

Etymologie

#(van onderwijs) niet van de overheid uitgaand, niet openbaar

Uitdrukkingen

  • Frank en vrij
  • Het vragen staat vrij, maar 't weigeren er bij
  • Vragen is vrijiedereen heeft de gelegenheid om vragen te stellen
  • Vragen staat vrijiedereen heeft de gelegenheid om vragen te stellen
  • Zo vrij als een vogeltje in de luchtalles kunnen doen en laten wat iemand wil

Vertalingen

Engelsfree, enough, quite
Franslibre
Duitsfrei
Spaanslibre, bastante
Italiaanslibero
Russischсвободный, довольно
Poolswolny