vrijhandel

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handel (handel) vrije handel
    Regeringen, in de Verenigde Staten en elders, beperken de vrijhandel, ondermijnen de onafhankelijkheid van de centrale bank, laten begrotingstekorten oplopen en schroeven het klimaatbeleid terug. Precies níét wat de meeste economen verstandig vinden.[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/09/19/indiase-econoom-rajan-zag-in-2005-de-financiele-crisis-al-aankomen-en-vreest-nu-nieuwe-problemen-door-lage-rentes-dat-is-bijna-een-ijzeren-wet-a4906675 www.nrc.nl (19 sep 2025)]

Etymologie

* In de betekenis van ‘handel vrij van overheidsbelemmeringen’ voor het eerst aangetroffen in 1851

Vertalingen

Engelsfree trade
Franslibre-échange
DuitsFreihandel
Spaanslibrecambismo, comercio libre