voortbewegen

/ˈvordbəˌweɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. refl (refl) zich verplaatsen, in beweging zijn
    De slang bewoog zich met zijdelingse kronkels bliksemsnel voort over het zand.
    Terwijl ik liep voelde het alsof ik zweefde en neerkeek op mijn lichaam dat zich moeiteloos voortbewoog.
    Terwijl we door de smalle gangen liepen met hun gebarsten plavuizen die ruw aanvoelden als oude koeienhuid, viel me op dat de kamerheer zich vreemd voortbewoog. De zool van zijn linkerschoen was stukken dikker dan die van de rechter, en de stompe neus ervan stond scheef Wat voor groteske misvorming zou er onder dat ingevette leer schuilgaan?
  2. ov (ov) aandrijven, doen bewegen
    Het uurwerk wordt voortbewogen door middel van opgetrokken gewichten.