voor

onzijdig (het)/vor/

Betekenis

voorzetsel
  1. dichterbij dan (gezien vanaf de spreker of anderszins)
    Er hangen wolken voor de zon.
  2. aan de voorkant
    Bob hangt iedere avond uren voor de televisie.
    Piet parkeert zijn auto voor de winkel.
  3. eerder komend in de bewegingsrichting
    Je moet voor de kerk linksaf slaan.
  4. eerder in tijd
    We moeten boodschappen doen voor sluitingstijd.
  5. eerder in volgorde
    De K komt voor de L in het alfabet.
  6. eerder in rangorde
    Toen stond PSV voor Ajax en Feyenoord in de eredivisie.
  7. ten behoeve van, ten gunste van
    Hij geeft cursussen voor beginners en gevorderden.
    Kunt u dit voor mij inpakken?
    Het creëren van een slaapplek voor zeven personen viel nog niet mee.
  8. eens met, positief tegenover, ten gunste van, pro
    De meerderheid stemde voor haar benoeming.
  9. wat betreft, met betrekking tot, aangaande
    Hij is bang voor muizen.
    Yolanda kreeg een tien voor taal.
  10. tegen de prijs van, ten bedrage van, tegen
    Bij ons krijgt u twee bossen rozen voor 10 euro.
    Ik ruilde met de buurjongen tien knikkers voor een bal.
  11. in plaats van, ter vervanging van
    Voor jou tien anderen! schreeuwde de ontevreden werkgever.
  12. lijkend op, beschouwd als
    De overvallers lieten het slachtoffer voor dood liggen.
    Ik hield die man in uniform ten onrechte voor de portier.
voegwoord
  1. onderschikkend: voordat, aleer, eerder in tijd dan
    Voor hij het doorhad, ging het al mis.
    Je mag geen auto rijden voor je achttien bent.
zelfstandig naamwoord
  1. positief argument of positieve kant
    Het tegen kreeg meer aandacht dan het voor.
  2. landbouw (landbouw) lange, smalle en ondiepe insnijding in een akker, gewoonlijk door een ploeg aangebracht
    Hij zaaide graan in de voren.
    Er waren diepe voren in de grond te zien, alsof een reus met een enorm groot mes de aarde had opengesneden om eens te kijken wat erin zat. {{Aut|Herzen, Frank

Etymologie

* In de betekenis van ‘ploegsnede’ zie vore

Uitdrukkingen

  • [1] voor de hand liggen (zie: hand)
  • [4] de kost gaat voor de baat uit
  • [6] de zaak gaat voor het meisje
  • als de dood zijn voor
  • de mens is voor de mens een mens
  • voor het zingen de kerk uit
  • voor een appel en een ei
  • voor zover

Vertalingen

Engelsin front of, before, for
Fransdevant, avant, pour
Duitsvor, vor, bevor
Spaansen frente de, delante de, antes
Italiaansdavanti, prima, innanzi
Portugeesantes, sulco, rego
Russischruперед, перед, до
Chinees面前, 以前
Japansの前に, の前に
Arabischأمام, قبل, ثَلْم‎
Poolsprzed, przed, przed
Zweedsföre, innan, fåra
Deensfør, solc, fure