voorgaan

/ˈvorɣan/

Betekenis

werkwoord
  1. voor iemand gaan
  2. de voorrang, de voorkeur hebben
  3. (van een klok) te snel lopen, voorlopen
  4. religie (religie) een godsdienstoefening leiden

Vertalingen

Engelsprecede
Spaansadelantar