voorbijganger
mannelijk (de)/vorˈbɛiɣɑŋər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- passant, iemand die ergens voorbij komt.
Etymologie
*Samenstellende afleiding van voorbij en gang
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
*Samenstellende afleiding van voorbij en gang