viervoeters
/ˈvirvutərs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- infrastam , gewervelde dieren met 4 ledematen (die bij sommige soorten alleen nog als rudiment aanwezig zijn)
Etymologie
**[2] leenvertaling van Neolatijn tetrapoda, gevormd uit "τετρα-" (tetra-) "vier-" en "ποδός" (podós) "van de voet"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek