vier

mannelijk/vrouwelijk (de)/vir/

Betekenis

telwoord
  1. "4", het getal tussen drie en vijf
  2. om een hoeveelheid aan te geven
    De totale kosten bedragen vier euro en zevenendertig cent.
    Slechts vier mensen, waaronder ik, hadden microspikes voor onder hun schoenen.
  3. om een plaats in een volgorde aan te geven
    Het juiste antwoord op opgave vier is "42".
zelfstandig naamwoord
  1. het cijfer 4
    De vier op zijn shirt was nauwelijks meer te zien.
  2. dat wat in een (rang)ordening met 4 is aangeduid
    Het is weer de vier die het niet doet, kunnen we die niet simpel vervangen?
    Hij had veel onvoldoendes, drie vijven en een vier.
  3. groep van 4 eenheden
    Die vier zijn natuurlijk blij, maar laten we ook denken aan het verdriet van de vier die zijn afgewezen.
    Zullen we met ons viertjes op reis gaan?

Etymologie

* (erfwoord), via Middelnederlands "vier"/"viere" van Oudnederlands "fier", als telwoord voor het eerst aangetroffen in het jaar 701

Uitdrukkingen

  • Iemand onder vier ogen sprekenpraten met iemand zonder dat anderen erbij zijn
  • vier op een rijspelletje

Vertalingen

Engelsfour
Fransquatre
Duitsvier
Spaanscuatro
Italiaansquattro
Portugeesquatro
Russischчетыре
Chinees
Japans四, よっつ, し
Koreaans넷, 사, 四
Arabischأربعة
Turksdört
Poolscztery
Zweedsfyra
Deensfire