verbouwereerdheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het onaangenaam verrast zijn
    't Volgende oogenblik stond Rozijntje met een rijksdaalder in haar hand en toen ze van de verbouwereerdheid bekomen was, was vader al weg en zette de trein zich in beweging. (1931)–Clara Asscher-Pinkhof [https://www.dbnl.org/tekst/assc007rozi01_01/assc007rozi01_01_0012.php Rozijntje]

Etymologie

* afleiding van verbouwereerd

Vertalingen

Engelsperplexity, bewilderment, confusion