verstomming

vrouwelijk (de)/vərˈstɔmɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verlies van het vermogen te spreken, onvermogen om geluid voort te brengen
    Het enige goede maar onder tijdelijke verstomming bedolven antwoord op een belediging, de kleine spijt nadat een mop met haar juiste timing ook haar bestaansrecht is verloren en het compliment dat enkel deze ene onuitgesproken keer niet gekunsteld zou zijn overkomen: in het Frans en in het Duits kunnen we ze benoemen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) grote verbazing

Etymologie

* afgeleid van "verstommen"

Uitdrukkingen

  • met verstomming slaan