vastleggen

/ˈvɑstlɛɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) bewaren van gegevens
    Hij had het ongeluk op film vastgelegd.
    Juultje moest in het begin wel wennen dat ik altijd mijn camera bij me heb en alles vastleg, maar inmiddels heeft ook zij haar eigen kanaal.” Trouw Babette Rijkhoff– 12:14, 31 maart 2018 [https://www.trouw.nl/samenleving/het-succes-van-de-familievloggers-we-hebben-een-tijdje-met-de-gordijnen-dicht-geleefd-~a7ef7cdb/ Het succes van de familievloggers: 'We hebben een tijdje met de gordijnen dicht geleefd' ]
  2. ov (ov) ervoor zorgen dat iets vastzit aan iets anders
    Je kunt de hond beter vastleggen voordat je de winkel ingaat.
  3. ov (ov) zorgen dat ergens zekerheid over bestaat
    Schouten wilde vastleggen dat vee minder eiwitrijk voedsel zou eten, wat zou leiden tot een lagere stikstofuitstoot.
  4. refl (refl) een contract aangaan
    De jonge voetballer had zich vastgelegd om de komende tien jaar bij de profclub te blijven.

Vertalingen

Engelscapture, record, register
Spaansregistrar