bepalen

/bəˈpalə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met palen afzetten
  2. ov (ov) vaststellen, voorschrijven, regelen
    Ik heb de afstand tot Groningen bepaald.
  3. ov (ov) beslissend beïnvloeden
    Iedereen mag meepraten, maar de arts is toch degene die bepaalt wat er gebeurd.
    Nu moet blijken of de aanstormende knapen mannen zijn geworden en de grote mannen grote mannen zijn gebleven. Het is veelzeggend dat Vincenzo Nibali, zonder twijfel behorend tot de laatste categorie, pas hierna bepaalt of hij vol voor het geel in Parijs gaat of dat hij voortaan mikt op ritwinst.
    Eerst reisgidsen halen, dan thuis de bestemming bepalen, om ten slotte op het reisbureau voor de reis te betalen. Alles liep op rolletjes.
  4. zijn aandacht ~ op iets: beperken, richten
    Hij bepaalt zijn aandacht op de hoofdzaak, details laat hij aan zijn personeel over.
  5. zich ~ tot: zich beperken tot
    Laten we niet in details treden, maar ons bepalen tot de hoofdzaak.

Etymologie

*afgeleid van paal

Vertalingen

Engelsdetermine, set, determine
Fransdéterminer, stipuler
Duitsbestimmen, festlegen
Spaansestipular, estatuir, definir