uitvoer
mannelijk (de)/ˈœytfur/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (economie) de verkoop van goederen aan het buitenlandDe uitvoer van Duitse goederen was door de lage euro flink gestegen.
- het verwerkelijken van ietsDaarmee was het overbodig geworden het plan ten uitvoer te brengen.
- (informatica) naar buiten gebrachte informatie vanuit een applicatieDe uitvoer is in drie exportformaten (PDF, Excel en ASCII) beschikbaar.
- (techniek) een leiding die een vloeistof of gas naar buiten leidtDe uitvoer van het afwaswater zat verstopt, wat tot een kleine overstroming leidde.
Uitdrukkingen
- het vonnis ten uitvoer leggen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek