uitroepen

/ˈœytrupə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. officieel verklaren
    Hendrik VIII riep zichzelf uit tot hoofd van de Engelse kerk.
    Bari, een machtige havenstad, riep hem al gauw uit tot 'redder op zee'. En de Noormannen, die Bari in bezit hadden, brachten hun verering voor de 'schutspatroon aller zeelieden' over naar Noord-Europa.
  2. uit emotie luid roepen
    'Wat een onzin!', roept hij geërgerd uit.
  3. in de rechtspraak, het moment van aanvang van de (eerste) terechtzitting
    Dit heeft ermee te maken dat in kort gedingen het uitroepen van de zaak pas plaatsvindt bij aanvang van de eerste terechtzitting; in bodemzaken daarentegen wordt de zaak uitgeroepen op de eerste rolzitting na ontvangst van de dagvaarding.

Vertalingen

Engelsproclaim, exclaim, cry out
Fransproclamer
Italiaansproclamare
Poolsogłaszać
Deensudråbe