Trouwen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
    Op 3 juli ga ik trouwen met mijn vriendin.
    Ik heb nooit alleen gewoond, ik ben altijd met anderen op pad en ik ga met mijn gezin op vakantie of met vrienden een weekendje weg. Een doodgewone veertiger met een eigen bedrijf, twintig jaar getrouwd, vader van drie, die elke zondag het gras maait.
    Wat was het probleem? Oorlog was oorlog, maar dat zou jonge mensen er niet van moeten weerhouden te trouwen, eerder andersom.
  2. ov (ov) twee personen in de echt verbinden
    Dat is de dominee die ons getrouwd heeft.

Etymologie

*afgeleid van trouw

Uitdrukkingen

  • Beter te trouwen dan te branden
  • Met de handschoen trouwen
  • Over de puthaak getrouwd zijn
  • Zo zijn we niet getrouwdop die manier iets niet afgesproken hebben

Vertalingen

Engelsmarry, wed
Fransse marier
Duitsheiraten
Spaanscasar, casarse, desposar
Portugeescasar
Russischженить, идти замуж, пойти замуж