Trouw

mannelijk (de)/trɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. naleving van een (morele) verbintenis
    Die lieve, integere Italiaan met zijn theorieën over familiebanden en over tradities in zijn dorp, over trouw zijn aan de gemeenschap, aan elkaar.
  2. huwelijk en de uitsluitende gerichtheid op de partner in een huwelijk of vaste relatie

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "trouwe" van Oudnederlands "triuwa", cognaat met "treu" en "true" "waar, waarachtig, betrouwbaar"; in de betekenis van ‘loyaal’ aangetroffen vanaf 1291

Uitdrukkingen

  • te goeder trouw
  • te kwader trouw
  • Hou en trouw (beloven)elkaar overal (zullen) helpen
  • Iemand van kwade trouw verdenkenverdenken dat iemand bedriegt

Vertalingen

Engelsallegiance, fidelity, loyalty
Fransfidélité, fidèle
DuitsTreue, Loyalität, Treuherzigkeit
Spaansfidelidad, lealtad, fiel
Italiaansfedeltà, lealtà