ontrouw

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gedrag dat niet loyaal is
    Zijn ontrouw kwam hem duur te staan.
    Eén ding stond namelijk onomstotelijk vast. Er had namelijk geen bewijsmateriaal kunnen ontstaan indien mevrouw Curtholmen zich niet, zoals iedereen in de rechtszaal had kunnen constateren, met hart en ziel aan haar ontrouw had gewijd.

Etymologie

*Afgeleid van trouw