trash

mannelijk (de)/trɛʃ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. minderwaardig product, afval bij het maken van iets beters
    Een kinderboek wordt onder een loep ontleed want wij, de volwassenen, weten wat goed voor hen is. Maar zelf laten wij, de slimme volwassenen, ons vaak ongegeneerd verleiden door de grootste trash.
    Maar met dat al was deze tentoonstelling luisterrijk en heeft zij opeens algemeen het bewijs kunnen leveren, dat de Amerikaansche verzamelingen meêtellen en deugdelijk meêtellen in de wereld-collecties van oud-Hollandsche kunst, en dat de fable convenue, als zou men in de nieuwe wereld vooral valsche oude meesters en trash aantreffen, voor goed naar het rijk der fantasie behoort te worden verwezen.
  2. handel (handel) tabak in de laagste kwaliteitscategorie
    Tabak. De afgeloopen week was niet zeer levendig; goede middelsoort, kleurige en Trash genieten voldoende vraag.

Etymologie

*van "trash", als gewoon woord in de betekenis 'rotzooi' aangetroffen vanaf 1910 (zie vindplaats hieronder)