tras

mannelijk (de)/trɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. materiaalkunde (materiaalkunde) gemalen tufsteen, kan aan cement en beton worden toegevoegd
  2. bouwkunde (bouwkunde) cement waaraan gemalen tufsteen aan is toegevoegd
  3. iets dat is gemaakt met cement of beton waaraan tras is toegevoegd
zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) uitgeperst suikerriet
  2. landbouw (landbouw) afgehakte bladeren van suikerriet

Etymologie

*[B] van "trash" "afval"