trapper
mannelijk (de)/ˈtrɑpər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een uitsteeksel aan een toestel of voertuig bedoeld om met de voet op te trappenHij ging eens flink op de trappers staan.
Etymologie
* van trappen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
* van trappen