trap

mannelijk (de)/trɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen, bestaande uit een reeks treden die zich (schuin) boven elkaar bevinden
    Hij liep de trap op.
    Gebroederlijk pakten we elkaars handen vast en liepen de trap op van de enige winkel van het dorp, die ook dienst deed als centrale hangplek voor alle hikers.
  2. stoot met de voet
    Hij gaf de bal een veel te harde trap.
  3. techniek (techniek) onderdelen van een duikuitrusting die de druk van de perslucht terugbrengen naar normale druk om te ademen
  4. mate van ontwikkeling
    Op deze trap van ontwikkeling vormen de arbeiders een over het gehele land verstrooide en door de concurrentie verbrokkelde massa [http://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1848/manifest/manif1.htm Het Communistisch Manifest]
  5. muziek (muziek) functie of akkoord in een akkoordreeks
  6. taalkunde (taalkunde) elk van de verschillende mogelijke vormen van een bijvoeglijk naamwoord die een bepaalde mate van gradatie aangeven
    De stellende, vergrotende en overtreffende trap.
zelfstandig naamwoord
  1. trapachtigen (trapachtigen) benaming voor vogels uit de familie
    De grote en de kleine trap worden in de Lage Landen niet vaak waargenomen.

Etymologie

*[B]: via Middelnederlands """ en "trappe" van "drop" of "drop"

Uitdrukkingen

  • Een trap nagevenIemand die al in een kwetsbare positie zit, nog eens extra aanvallen
  • Van de trap gevallen zijnnaar de kapper zijn geweest

Vertalingen

Engelsstairway, staircase, kick
Fransescalier, coup de pied, outarde
DuitsTreppe, Trappe
Spaansescalera, patada, puntapié
Italiaansscala
Portugeesescada
Russischдрофа
Chinees
Turksmerdiven
Poolsschody, drop
Zweedstrapp
Deenstrappe, trappe