trappelen

/ˈtrɑpələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. enige tijd beide voeten om de beurt een stampende beweging laten maken
    Rogge kneden was lastig en hij trappelde in de trog die op de grond stond totdat de deeg aaneenhing.

Etymologie

*van Middelnederlands "trappelen"; kan worden opgevat als (freqtt) trappen

Uitdrukkingen

  • niet staan te trappelen om ...geen behoefte hebben om ...