tortuur

vrouwelijk (de)/tɔrˈtyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. opzettelijk toegebrachte pijn
    "Op een halve meter afstand passeerden Duitse hoogwaardigheidsbekleders en NSB autoriteiten", schreef conservator Tichelman met veel plezier. "Paperassen waarop tortuur, kogel en galg stonden, werden weggemoffeld tussen de schaamgordels van boomschors en Timorweefsels."
  2. figuurlijk (figuurlijk) iets wat op een vervelende manier heel moeilijk of pijnlijk is

Etymologie

* via "torture" of direct van Latijn "tortura"

Vertalingen

Engelstorture, ordeal, agony