gesel

mannelijk (de)/ˈɣesəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
    De uitgeputte dwangarbeider kreeg er van langs met een gesel.
    De clip begint dreigend met een witte slavenhouder die met een gesel in de hand op een vastgebonden Typhoon afstapt.
  2. figuurlijk (figuurlijk) oorzaak van toegebracht leed
    De snelle spits was de gesel van de potige verdedigers.
    Dick Advocaat is opgestapt als bondscoach van het Nederlands voetbalelftal. Verbitterd door de gesel der kritiek.

Etymologie

*van Middelnederlands "gesele" / "ghesele", in de betekenis van ‘strafwerktuig’ aangetroffen vanaf 1240

Uitdrukkingen

  • gesel Gods

Vertalingen

Engelsscourge
Fransfouet
DuitsGeißel
Spaansazote, flagelo