toaster

mannelijk (de)/ˈtostər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. huishouden (huishouden) apparaat waarmee men brood kan roosteren
    „Tosti?” Anneke Swarts legt de stapel boterhammen met kaas en salami vast klaar bij de toaster.
    Een elektrische toaster is misschien iets voor mensen die met zo’n apparaat om kunnen gaan, maar er gaat niets boven toast die, aan een toastvork geprikt, voor het vuur gehouden en aandachtig geroosterd wordt, om vervolgens door een snelle bode die het huis een warm hart toedraagt, naar de tafel getransporteerd te worden.
  2. muziek (muziek) iemand die teksten op reggaemuziek zingzegt
    We wilden een reggaenummer opnemen met een toaster, wat in feite de Jamaicaanse variant op de rapper is.
    Behalve de drummer, gitarist, bassist en keyboard-speler waren er Tricky zelf, zangeres Amber Sunshower en toaster Hawkman. Die laatste twee hadden de ondankbare rol om slechts af en toe een liedje te zingen en verder werkeloos te moeten toekijken.
    Toch dient gezegd dat deze autobiografische terugblik op Dekkers leven in 1842-44 relatief gezien veel, wellicht te veel plaatsruimte inneemt in het geheel van het boek, temeer daar zij de onstelpbare speecher en toaster die Dekker is, gelegenheid te over bieden om naar aanleiding van alles en nog wat zijn hier en daar wel wat mat fonkelende ‘esprit’ te laten bewonderen.

Etymologie

*van "toaster", op te vatten als van toasten

Vertalingen

Engelstoaster
Spaanstostador, tostadora