timen

/ˈtɑjmə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een tijdstip of de tijdsduur van een bezigheid bewust kiezen
    Ik heb goud hoog op mijn lijstje staan als beleggingsverrassing voor dit jaar, maar het is vooralsnog lastig te timen. Ik verwacht dat er ergens dit jaar een instapmoment komt.
    Ik had story-boards, maar bij elke achtervolging moet je uitmeten of een straat lang genoeg is voor een muziekfragment en waar je het obstakel neerzet, zodat Baby precies remt waar de gitaarsolo inzet. Voor de acteurs was het een interessante uitdaging om hun dialogen en bewegingen te timen op muziek die ze op hun draadloze oordopjes hoorden.
  2. ov (ov) een tijdstip of tijdsduur precies vaststellen met een nauwkeurig uurwerk
    Een bevallende vrouw die zich alleen voelt en zelf taken als weeën timen op zich neemt zal zich minder gemakkelijk overgeven aan de bevalling.

Etymologie

*[2] gevormd uit "time"