theologie
vrouwelijk (de)/ˌtejoloˈɣi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) leer over God, het goddelijke en de godsdienstVelen hielden zich vroeger bezig met pastorale theologie.' In een volgende voorrede, de Methodus (Methode) laat Erasmus zien wat volgens hem de beste manier is om tot een goede theologie te komen, in het voetspoor van het humanisme: kennis van de grondtalen, kennis van de klassieke letterkunde en kennis van de kerkvaders.En ook wat de christelijke theologie aanduidt met het Griekse woord kenosis, jezelf leeg en ontvankelijk maken zodat je openstaat voor het hogere.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘godgeleerdheid’ voor het eerst aangetroffen in 1330
Vertalingen
Engelstheology
Fransthéologie
DuitsTheologie
Spaansteología
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek