tapkast

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈtɑpkɑst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. buffet in een café met een biertap
    Lodewijk stapt naar de toog. Met tegenzin gaan de gasten voor hem opzij. Door zijn stijlvolle kleren en zijn Hollandse tongval valt hij uit de toon. Hij buigt zich over de tapkast heen en roept - te bars voor een vreemde - de kastelein, die hem wrevelig opneemt. En dan toch in beweging komt. {{Aut|Haasnoot, Robert
    Zefod ging drie stenen treden af naar de vloer en zigzagde tussen kleverige, dampende plassen door naar de tapkast, die als een klif boven hem uittorende. {{Aut |Adams, Douglas Eoin Colfer
    Vanwege de geringe belangstelling werd het evenement vrijdagavond afgelast. Het drankspel, waarbij deelnemers met een stropdas worden vastgespijkerd aan de tapkast, trok slechts n bezoeker. Volgens de organisatoren hadden ze er zich negen deelnemers aangemeld. Die bleven allemaal weg, net als de andere bezoekers van het caf aan de Grotestraat.Tubantia 14-NOVEMBER-16,

Vertalingen

Engelsliquor cabinet, bar
Spaansbar, bufete