buffet

onzijdig (het)/ˈbyfɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. huishouden (huishouden) meubelstuk waarin men tafelgoed en -zilver opbergt
  2. kookkunst (kookkunst) tafel met daarop allerlei etenswaar waaruit men zelf kan uitkiezen en pakken (lopend buffet, wandelbuffet)
    Een Zweeds kerstdiner is volgens de traditie een rijkelijk gevarieerd buffet met zowel warme als koude gerechten.
    Zijn oog was direct op een toevoeging aan het meterslange buffet gevallen. Op de achterste tafel stonden schalen met oesters, krab, grote gamba's en inktvis.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schenktafel, tapkast’ voor het eerst aangetroffen in 1343

Vertalingen

Engelsbuffet, buffet
DuitsBüfett, Büfett
Spaansaparador, bar, bufete