buffel
mannelijk (de)/ˈbʏfəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (evenhoevigen) verzamelnaam voor een aantal zware holhoornige rundersoorten met vaak forse hoorns
- (evenhoevigen), een Afrikaanse buffel of kafferbuffel
- (evenhoevigen), een Aziatische buffel: waterbuffel of karbouw
- (evenhoevigen), een dwergbuffel van de Filipijnen en Celebes zoals de anoa's en de tamaroe of mindorobuffel
- (evenhoevigen), een Amerikaanse bizon
- leer vervaardigd van de huid van een buffel
- (figuurlijk) iemand die groot en stevig is
Etymologie
*[1.4.]: enigszins oneigenlijk als leenvertaling uit het Amerikaanse Engels "buffalo"
Uitdrukkingen
- een buffel van een kerel — een zeer grote kerel
Vertalingen
Engelsbuffalo
Fransbuffle
DuitsBüffel, Büffelleder, Kleiderschrank
Spaansbúfalo, búfala
Portugeesbúfalo
Russischбуйвол
Japans野牛
Turkskara sığır
Poolsbawół
Zweedsbuffel
Deensbøffel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek