stribbeling
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- ruzie, getwist, geharrewarMen neme twee ego’s, twee autocoureurs welteverstaan, die heel goed zijn in wat ze doen en allebei één doel voor ogen hebben: wereldkampioen worden. Stop deze twee heren in hetzelfde team en voilá: ruzie, stribbelingen en fitties.
Etymologie
* van stribbelen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek