stribbeling

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ruzie, getwist, geharrewar
    Men neme twee ego’s, twee autocoureurs welteverstaan, die heel goed zijn in wat ze doen en allebei één doel voor ogen hebben: wereldkampioen worden. Stop deze twee heren in hetzelfde team en voilá: ruzie, stribbelingen en fitties.

Etymologie

* van stribbelen