stigma

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een uiterlijk kenmerk dat afbreuk doet aan iemands reputatie
    Dat is me bijgebleven, ik begreep dat je nooit je hart moet luchten. Als je zo'n aanslag hebt overleefd, ben je nog kwetsbaarder en brozer. Je draagt het stigma van het slachtoffer, ik wil dat stigma niet dragen... {{Aut |Aleksievic, Svetlana Aleksandrovna
    Herzberg gebruikt het woord etiket dus in een neutrale, zelfs positieve zin. Een etiket geeft identiteit. Herkenning en erkenning. Maar tegelijkertijd, zoals wij weten en ook Herzberg maar al te goed en meer dan velen besefte: elk etiket kan een stigma worden, een basis voor veroordeling. In het Cambodja onder Pol Pot of in China tijdens de Culturele Revolutie betekende het etiket 'intellectueel' vaker wel dan niet een doodvonnis of onmenselijke dwangarbeid. {{Aut|Louise, Fresco
    In Noord-Amerika lijkt het straks eerder een aanbeveling dan een stigma als je cannabis rookt. Met Vlaams geld lanceren ambitieuze start-ups er luxe cannabissigaretten en ‘verse’ wiet in chique opbergdozen. Of hoe een softdrug plots een luxeproduct wordt. Net zoals eerder tabak en bier.de Standaard 18 NOVEMBER 2017
  2. wonden van Jezus na de kruisiging
  3. deel van de stamper van een plant

Etymologie

* uit het Latijn

Vertalingen

Engelsmark of infamy, mark of infamy or disgrace, characteristic