stempel

mannelijk (de)/ˈstɛmpəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lakZo'n afdruk wordt het stempel (n) genoemd.
    Hij zette er zijn stempel op.
  2. gereedschap (gereedschap) werktuig om met kracht een indruk van een bepaalde vorm in een ander voorwerp aan te brengen
    Munten worden geslagen met stalen stempels.
  3. bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
  4. afdruk of indruk gemaakt door een daarvoor bestemd voorwerpDit voorwerp wordt de stempel (m) genoemd.
    Het stempel op de postzegel liet zien dat de brief in Rolde gepost was.
  5. figuurlijk (figuurlijk) kenmerkende sporen van een bepaalde maker of herkomst
    Hoewel zij maar vier jaar burgemeester was, heeft ze toch haar stempel op de gemeente gezet.
    Ze was niet langer de bediende die het huis van vlekken ontdeed; ze zou een onuitwisbaar stempel drukken dat niemand nog zou vergeten.
zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) balk of schoor ter ondersteuning
    De stempels blijven onder de bekisting van de betonbalken staan totdat deze voldoende verhard zijn.
    Er worden stempels gebruikt om de keerwanden van een bouwkuip uiteen te houden.

Etymologie

*[B] van Middelnederlands "stempel" "poot, stijl"

Vertalingen

Engelsstamp, stamp, stigma
Franstampon, cachet, stigmate
DuitsStempel, Stempel, Narbe
Spaanssello, sello
Portugeesestigma